Juridische risico's bij open source software

Wetsvoorstel 'Mevis' naar Tweede Kamer

Auteurswet door Tweede Kamer geloodst

Minister Donner van justitie heeft het wetsvoorstel bevoegdheden vorderen gegevens naar de Tweede Kamer gestuurd. Het voorstel geeft politie en justitie meer bevoegdheden om persoonsgegevens op te vragen bij maatschappelijke instellingen en bedrijven, als dat voor de opsporing noodzakelijk is. Het wetsvoorstel is gebaseerd op de voorstellen van de commissie strafvorderlijke gegevensvergaring in de informatiemaatschappij (de zogenoemde commissie Mevis). Voor banken en telecom-aanbieders werden aparte wetsvoorstellen gemaakt, namelijk de wetsvoorstellen vorderen gegevens financiƫle sector en het wetsvoorstel vorderen gegevens telecommunicatie. Deze beide voorstellen liggen al bij de Eerste Kamer.

Donner noemt een aantal redenen waarom het belangrijk is dat justitie over deze gegevens kan beschikken. Gegevens over personen en hun handelingen zijn van steeds groter belang voor de opsporing, bovendien is deze “informatie steeds vaker nog slechts in geautomatiseerde vorm beschikbaar, zodat de inbeslagneming van bescheiden in betekenis voor de opsporing afneemt”. Bovendien ziet de minister hindernissen in de privacy-wetgeving: “het privacyrecht in de vorm van de bescherming van persoonsgegevens [is] sterk ontwikkeld. Het persoonsgegeven is gejuridiseerd, zodat verstrekking ten behoeve van de opsporing niet zondermeer is toegestaan. Normering hiervan is nodig.”

In 2001 adviseerde de commissie onder leiding van prof. Mevis om de toegang tot gegevens voor politie en justitie te vergemakkelijken en verschillende drempels en waarborgen te verlagen. De commissie maakte onderscheid tussen drie categorieƫn gegevens: identificeerbare gegevens (naam, adres), andere gegevens (verkeersgegevens, logs, administratie) en bijzondere gegevens (vertrouwelijke communicatie, datamining).

In de wetvoorstel bevoegdheden vorderen gegevens gaat het bij identificeerbare gegevens niet alleen om iemands naam, adres, woonplaats, postadres, geboortedatum of geslacht, maar ook om zogenoemde administratieve kenmerken, zoals een klantnummer, een nummer van een polis, een bankrekeningnummer, of een lidmaatschapsnummer. Deze gegevens kunnen door iedere agent of opsporingsambtenaar mondeling worden opgevraagd.

De categorie ‘andere gegevens’ is zeer omvangrijk. Het gaat om vooral om gegevens uit de administratie van bedrijven. Om deze gegevens in te zien, is nu nog een gerechtelijk bevel nodig, maar in het wetsvoorstel kan met een bevel van de officier van justitie volstaan. Alleen voor bijzondere gegevens, zoals godsdienst, ras, politieke gezindheid, gezondheid of seksuele leven, blijft een gerechtelijk bevel noodzakelijk.

Het wetsvoorstel bevat een notificatieplicht zodat van de vastlegging van gegevens aan de betrokkenen schriftelijk mededeling wordt gedaan. Hierop kan een uitzondering gemaakt worden in het belang van het onderzoek. Het is nog maar de vraag of de notificatieplicht een vooruitgang is. De ervaringen met de notificatieplicht bij het aftappen van telecommunicatie zijn op z’n minst onduidelijk. Uit recente antwoorden op Kamervragen blijkt dat justitie en openbaar ministerie geen idee hebben hoe vaak ze personen die zijn afgetapt achteraf notificeren. Dat wordt namelijk niet bijgehouden. Het wetsvoorstel bevoegdheden vorderen gegevens bevat in elk geval geen regeling om dit wel te gaan doen.

Dit artikel is automatisch geconverteerd uit het oude archief van nieuwsbrieven van Bits of Freedom.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Help mee en steun ons

Door mijn bijdrage ondersteun ik Bits of Freedom, dat kan maandelijks of eenmalig.